DE OUDELANDSEPOLDER

Het is de kern van het Eiland van Cadzand. Dit gebied bestond uit schapenweiden en landbouwpercelen, afgebakend door dijkjes. Het eerste perceel was de Roffoelkin (28). Zie poldervorming. De 1 meter hoge dijkjes/cades gaven nauwelijks bescherming tegen overstroming. Er werd in 1112 een dijk van 2,50m hoog om de percelen/polders heen gelegd. De verzamelnaam werd Oudelandse polder. De aarde voor de dijken werd van het vasteland gehaald en in manden of op draagberries vervoerd: een man voor, een man achter. Midden 20e eeuw is de Ringdijk-Noord tot 4,50m verhoogd.

De eerste polder, het Roffoelkin (28) werd uitgebreid met de Kercpolre (27). Daarna volgden het 1e Noordland (29) en het 2e Noordland (30). Het 2e Noordland lag aan het water “infra dyc supra Valium/ dictum Vallum”. Dat water heette De Val. Over De Val had zich een andere kern gevormd, West-Middenzand (35); samen met Oud Voszand (36) en de Haek (37) (het huidige Cadzand-bad) breidden zich deze kleine aanwassen uit met Dierinkspolder (34), Busschaertpolder (44), Nieuw Voszandpolder (41) en Quellepolder (42). Het water De Val tussen de twee eilandjes verzandde; men damde het af en liet het opslijken. Na indijking werden het de polders Lange Strinck (31), Vinckenest (38), Mollinspolre (39) en Moenspolre (40).

De oudste schenking aan de St. Baafs abdij te Gent bestaat uit grafelijke lenen. In 1177 doen Ridder Walter van Axel en Ridder Alard, zoon van Symon van Ostburch afstand van de opbrengst van hun grafelijk leengoed, dat verspreid ligt “super (=aan de) Va l(=natuurlijk water)(30) et super(=aan de) Grotenflit (flit=natuurlijk water) (17 en 18) et in Kerckepolre (27) et Strinc (31) et Bertenhuc(..) et Sumpel (29?/Sompele) et super (=aan de) Dumbinsflit(..). Na de schenking van de opbrengst van het land van beide leenmannen schenkt eigenaar graaf Philips van de Elzas deze akkers “cum omni accrescenti terra” aan de abdij.

De originele tekst uit het groot cartularium van de St. Baafsabdij te Gendt, p.94, gedateerd 1177:
Ego Phylippus, comes Flandrie et Viromandie, cognitum volo haberi tam modernis quam posteris, quod Walterus de Axla et Alardus, filius Symonis de Ostburg, precibus a me optinuerint, quatinus eis, causa necessitatis sue, terram quam de me in Cadesanda, Walterus XXX mensuras super Val, et super Grotenflit et in Kercpolre, et Strinc, et Bertenhuc, et Sumpel, et Alardus X mensuras et duas partes unius mensure scilicet in Comet, et super Dumbinsflit, ratione feodi tenebant, licitum fieret vendere, et de terra sua quam liberam possidebant Walterus LX mensuras inter oppidum de Axla et Suanewerva, Alardus iuxta oppidum de Ostburh ad quantitatem terre quam vendebat, loco predicti feodi a me suscipere. Ego vero predictam terram de Cadesanda mihi reconsignatam, rogatu ipsorum Walteri et Alardi et assensu suorum tam fratrum quam filiorum, Willelmo abbati sancti bavonis de manu mea libere in perpetuum cum omni accressenti terra, in quantum ei ratio dividionis contulerit, possidendam contradidi. Et ne huius rei transactio vel temporis dinturnitate vel oblivionis posset obscurari fuligine, predictus abbas et sigilli mei oppositione, et hominum meorum qui interfuerunt subscriptis eorum nominibus testimonio optinuit confirmari. Signum Gerardi abbatis de sancto Petro, S. Girardi de Mecinis, S. Sigeri notarii, S. Rogeri castellani, S. Sigeri de Curtraco, S. Razonis de Gavera, S. Gerardi de Sottengem.

In 1189 schenkt ook Leonius de Cazant de opbrengst van zijn leen aan de St. Baafs abdij: Sudpolre, super(=aan de) Dondelinsvliet, via(=weg/pad) super (=aan de) Grotvliet, Binorden Oudenwerve, super(=aan de) Wel(24), in Tarwedic(24), in Husmiet (24), alle gelegen ten oosten van de kapel. Voorts in Kerpolre Bosthalf in Sudpolre Bostenmerke. Daarna schenkt het Graafschap ook deze akkers aan de abdij.

De originele tekst uit het groot cartularium van de St. Baafsabdij te Gendt, p.94, gedateerd 1189:
In nomine sancte et individue trinitatis, amen. Ego Philippus, Flandrie et Viromandie comes, notum fieri volo, tam presentibus quam futuris, quod fidelis meus Leonios de Cazant in presentia hominum meorum mihi libere reddidit centum mensuras terre in Cadsant quas de me tenebat in feodo. Ego autem divini amoris et proprie salutis intuitu, easdem centum mensuras ecclesie sancti Bavonis in Gandavo in elemosinam perpetuam dedi pro salute videlicet mea et karrissime consortis mee Mathildis regine, necnon et antecessorum meorum ac deinceps successorum. Prefatus autem Leonius totum servicium quod de predicta terra mihi debebat super residuum terre sue mihi plenarie assignavit. Ubi autem predicta terra sita sit, ne que in posterum ambiguitas possit oriri, propriis dignum duxi denotare vocabilis. Sita igitur est in Sudpoldre super Dondelinsvliet, via super Grotvliet, Binorden Oudenwerve; ad hanc terram pertinat Utdic id est incrementum; super Wel, in Tarwedic, in Husmiet, super Wertvliet, in Ostende, de Wertvliet, in Culant, in Kerpolre Bosthalf in Sudpolre Bostenmerke. Quod autem de centum mensuris hic deest, idem Leonius ad craantum ecclesie alias assignavit. Concessi autem ecclesie viam consuetam et terre debitam. Hoc igitur ut ratum semper inconcussumque permaneat tam presentis scripto pagine, quam mei impressione sigilli, immo et subscriptarum testimonio personarum munire decrevi. S. G. Brugensis prepositi et cancellarii Flandrie, S. G. prepositi Insulensis, S. J. castellani Brugensis, S. Michaelis constabularii, S. B. de Balliolo, S. G. de Balliolo, S. G. de Aria, S. G. deHeila, S. Walteri Mauri. Actum Malee, anno Domini M°. C°. LXXXIXo., mense martio.

In 1553 is de Oudelandse polder, groot 907 ha., opgemeten door Francois van der Poorte.
Gebaseerd op de ommelopers van Cadzand en de kaart uit 1660 van Hattinga zijn op onderstaande luchtfoto de oorspronkelijke percelen ingetekend. In de ommelopers van Cadzand worden deze aangeduid met ‘BEGIN’.

1. Carlinspolder
2. Meulenpolder
3. Garspolder
4. Keuvelaarspolder
5. Goedhalspolder
6. Hofstedepolder
7. Inzetepolder
8. Moyaertspolder (deze zal verdwijnen door de aanleg vanRetranchement)
9. Evenpolder/Hevenpolder
10. Grote Tarwepolder
11. Gerstepolder
12. Kwadenpolder
13. Zettepolder
14. Heinshoek
15. Zaeldinspolder
16. Colinshoek
17. Kermershoek
18. De hoek “daer Cornelis f. Andr. Anths. Te Wuenen plach”
19. naamloos
20. Scarpolre/Schaere/ De Schaar
21. Kleine Tarwepolder
22. Herenpolder
23. Crullinpolder
24. Oost van het Kerkhof
25. en 26. Cadzand
27. Kercpolre
28. West van het Kerkhof/Roffoelkin/ De Slikhoek (“ende es 't beloop daer Buerchgravensteen ofte wal in ligghet”)
  29. Het (1e) Noordland/Nortpolrikin
30. Het (2e) Noordland, Gezegd Den Val/“infra dyc supra Valium”. 
31. Strinck. Was een water, de Val. Het verzandde en werd ingedamd. 
32. Noordland den Wal
33. naamloos (misschien lag hier het in 1189/90 genoemde Oudenwerve)
34. Dierkinspolder (deze polder lag ten W van “de groote bracke”; verschillende percelen grensden “an eenen grooten wael”)
35. Wester Middelzand (In het N lagen de percelen “an 't ghebroken landt”)
36. Oude Voszand (In het N lagen de percelen “an 't ghebroken landt”)
37. de Haeck
38. Vinckenest/Vinxnest
39. polre Mollins- Mollinspolder (in deze polder stond de Westmolen)
40. Moenspolre (in het ZW bevond zich “een groote wael”)
41. Nieuwe Voszandpolder
42. Quellepolder
43. Plaetspolder (in het NO “ ’t ghebroken landt”; andere percelen lagen “an’t vervloghen landt in de dunen”)
44. Busschaerspolder (Deze lag aan de “groote bracke ofte guele”; in het N bevond zich “ ’t ghebroken landt”.)

Met de Allerheiligenvloed op 1 november 1570 lopen een groot aantal polders in. 
 

Retranchement

OUDELANDSCHE POLDER, 37ste BEGIN

DEN HAECK.

HET HOF oudtijds genaamd DE LANGE SCHURE.

Op 20 Augustus 1674 verpachtte de eigenaar Johan Engels te Middelburg deze hofstede aan Cornelis de Fraeije voor zes jaar tegen ƒ 6.30 per gemet boven de lasten, behalve het watergeschot, dat voor rekening bleef van den eigenaar.

Den 12 December 1696 verkocht de toenmalige eigenaresse Johanna de Vos, weduwe van Mr. Abraham van Dorth, den timmer, zonder de plantage, voor ƒ 2400 en 4 gouden ducatons boven de onkosten aan Jean Labijt, aan wien zij tevens in pacht uitgaf de tot deze hofstede behoorende 94 gemeten 192? roeden land voor ƒ 6.50 per gemet boven de lasten, blijvende alleen het watergeschot voor rekening van de eigenares. Op 6 Juni 1710 droeg Jean Labijt aan den toenmaligen bewoner, zijn zoon Jacob Labijt, den timmer met de baning van omtrent 111 gemeten pachtland over voor ƒ 1900. Jacob Labijt is eerst gehuwd geweest met Marie de la Haye, die op 23 Mei 1725 overleed, op 20 Oct. 1726 hertrouwde hij met Jeanne Albert. De man overleden 24 Aug. 1742, de weduwe 13 Februari 1748. Op den 11 April 1749 droegen de voogden van hun zoon Abraham Labyt den timmer met de baning van omtrent 158 gemeten pachtland voor ƒ 1020 over aan Isaac van Houte Danielszoon en Kaatje van de Veere. Van Houte overleed 15 Februari 1762, de weduwe in hetzelfde jaar hertrouwd met Jannes Weijkman. De vrouw gestorven in 1790. In 1791 is de hofstede met den inboedel overgelaten aan den zoon Hendrik Weijkman, die gehuwd was met Helena Brevet. In 1809 zijn hier gekomen Jannes Claerbaut en Neeltje Luteijn. Claerbaut overleden 30 Mei 1811, de weduwe hertrouwd 8 April 1812 met Jozias Basting. Dezen hebbende hofstede in 1819 gekocht. Basting overleed 22 Juli 1841, de weduwe 21 Februari 1868. Toen is de hofstede met den inboedel overgegaan aan haar zoon Jozias Levinus Basting, dieop 23 Maart 1870 huwde met Elizabeth Suzanna Cijsouw, weduwe van zijn broeder Levinus Basting. De vrouw overleden 12 December 1883, de man vertrokken in 1895 en opgevolgd door zijn stiefzoon Hendrik Adriaan Basting en Anna Jacoba Almekinders. Dezen vertrokken in 1908 en toen zijn alhier gekomen Jozias Levinus Basting Corneliszoon en Anna de Ridder.

OUDELANDSCHE POLDER, 42ste BEGIN

DEN QUELLEPOLDER.

 

Omstreeks 1719 woonden hier Pieter Taillie en Suzanna Labyt, de vrouw overleed 14 Januari 1722. Den 11 Maart 1727 droegen Taillie en de weezen zijner overleden vrouw den timmer voor .ƒ 600 over aan Nicolaas du Bois, die er toen reeds op woonde. Genoemde du Bois droeg den timmer op 19 April 1746 voor ƒ 480 over aan den toenmaligen bewoner Adriaan de Keesel, die hem op dienzelfden dag weder voor ƒ 558 overdeed aan Christiaan van den Ameele en Janna Adriaansen. Van den Ameele overleed in Januari 1750, de weduwe hertrouwde later met Salomon Masclee. De vrouw overleden in 1752. In 1757 verkocht Masclee den timmer aan Pieter de Groote, die gehuwd is geweest met Janna de Keesel. Hun erfgenamen verkochten den timmer op 10 Januari 1782 aan Pieter Callewaard en Janneke van de Veere. In 1809 zijn in de plaats van dezen gekomen Jannes de Die en Magdalena den Dekker. De vrouw overleden in 1811, de man hertrouwd op 8 April 1812 met Pieternella de Ridder. In 1834 gekomen Bartholomeus Krepel, geboortig van Ellemeet in Schouwen, en Janneke de Die. De man overleden 29 Juli 1839, de vrouw hertrouwd 3 Juni 1840 met Abrahamde Vlieger, weduwnaar van Sara van de Plassche. In 1843 is de Vlieger vertrokken en opgevolgd door Pieter Cailleux , in wiens plaats in 1845 zijn gekomen Johannes Almekinders en Janneke Rosseel. De vrouw overleden 25 Augustus 1862, de man hertrouwd 1 October 1863 met Catharina Suwijn. In 1864 is de hofstede verkocht aan Pieter Brevet en Cornelia Elizabeth Risseeuw. De vrouw overleden 8 December 1906. In 1916 is ‘t hof verkocht aan A. van Unen te Oostburg en in hetzelfde jaar de schuur afgebrand. In 1917 gekomen Marinus Kegel en Maria Louise Verstrijnge, die naderhand eigenaars zijn geworden en in Mei 1922 van hier vertrokken Toen is de hofstede in eigendom overgegaan aan de gebroeders Barendse, afkomstig uit het land van Tholen, en in gebruik genomen door een hunner, te weten Willem Jacobus Barendse en Elizabeth Pieternella Douw.

OUDELANDSCHE POLDER, 4lste BEGIN

 

HET NIEUWE VOSLAND.

Op het arbeidershofsteedje van Hendrik Weijkman, later bewoond geweest door Johanna Maria de Nokker, weduwe Stokx, zijn in 1834 van de naaste hofstede gekomen Jannes de Die en Pieternella de Ridder, die in 1845 vertrokken naar Noord-Amerika en opgevolgd zijn door Franciscus Leopoldus Lefevere, geboortig van Lapschuere, en Ludovica Sophia de Vos. De man gestorven 23 Januari 1877, de weduwe 18 November 1883. In dit jaar gebleven hare dochter uit een vroeger huwelijk Felicita de Zutter, die in 1884 trouwde met Carolus Johannes Jacques. De schuur afgebrand door het onweder in 1888. In 1901 gekomen Victor de Grave en Anna Timmermans, in 1909 Jan Vermue en Elodia Maria Tas, die hier in 1921 een nieuw woonhuis hebben gebouwd.

OUDELANDSCHE POLDER, 39ste BEGIN

 

DEN MOLINSPOLDER.

In 1785 zijn hier in plaats van Fran?ois Baas gekomen Wouter Gijzebregt en Maria le Grand. De vrouw gestorven 21 Januari 1821, de man hertrouwd 28 November 1821 met Elizabeth van Houte. Gijzebregt overleden 22 Augustus 1845. De hofstede is daarop verkocht aan Levinus Basting, die hier in 1846 gekomen is en getrouwd is geweest met Elisabeth Suzanna Cijsouw. Dezen hebben hier een nieuw huis en een nieuwe schuur gebouwd en de hofstede met eenige landen vergroot. De man overleden 23 December 1868, de weduwe hertrouwd 23 Maart 1870 met haar overleden mans broeder Jozias Levinus Basting en van hier vertrokken naar het hof De Lange Schure. Vervolgens is deze hofstede bekasteleind tot op het overlijden van Elizabeth Suzanna Cijsouw in 1884. Toen is zij overgegaan aan haar zoon Cornelis Willem Basting Levinuszoon en Suzanna Cornelia de Hullu. De man gestorven 24 December 1887, de weduwe hertrouwd 24 Juli 1890 met haar overleden mans broer Levinus Basting. In 1922 zijn dezen vertrokken en opgevolgd door hun zoon Jacob Basting Levinuszoon en Aaltje de Blaeij.

 

OUDELANDSCHE POLDER, 39ste BEGIN

 

DEN MOLINSPOLDER.

 

Op 16 Juni 1730 droeg Pieternella Wouters, weduwe van Jan Wijnant, den timmer dezer hofstede voor ƒ 462 over aan Isaac Porreij en Marie Madeleine de Hullu, die er destijds al op woonden. De man overleden 8 September 1746, de weduwe hertrouwd in Maart 1750 met Adriaan Geerings. Geerings stierf den 2 Juli 1777. In 1778 in plaats gekomen Adriaan bij baart, die ongehuwd overleed 26 Februari 1779 en opgevolgd is door zijn broeder Jannes Lijbaart. Deze overleed 27 October 1782, insgelijks ongehuwd. Daarna gekomen Jacob Lijbaart en Janna Sarels van Rijn. In 1815 gekomen Abraham Zonnevijlle en Adriana Lijbaart, in 1823 Hubrecht Ketels en Elizabeth de Visser. Van lieverlede van landerijen verkleind zijnde, is deze hofstede in 1828 gekocht door Isaac Steijaard te Aardenburg, ten wiens profijte zij bekasteleind is geworden door Abraham van Melle. In 1856 is zij in perceelen verkocht en zijn de gebouwen gesloopt.

OUDELANDSCHE POLDER, 9de BEGIN

 

DEN HEVENPOLDER.

Omstreeks 1711 woonde op deze hofstede Gillis de Visser, die op 3 April 1711 den timmer met de plantage voor ƒ 1800 overdroeg aan zijn schoonzoon Pieter Slabbaert. Naderhand is de timmer aangekocht door Laurens Zonnevijlle, die gehuwd is geweest met Adriana Cornelia de Zoute. Zonnevijlle overleed omstreeks Februari 1747. Later hertrouwde zijn weduwe met Izaak Louwers. Den 20 April 1751 droegen de echtelieden Louwers- de Zoute den timmer voor ƒ 1000 over aan Pieter Goedgeluk, die hier vervolgens heeft geboerd en eerst gehuwd was met Cornelia de Blieck. Na het overlijden van deze vrouw hertrouwde Goedgeluk in 1775 met Aaltje Lijbaart. Man en vrouw zijn beiden gestorven in 1809. In 1811 is deze hofstede verkocht aan Abraham Janssen en Cornelia Visser te Groede, die er op zijn komen wonen. De man gestorven 20 Februari 1822. In 1824 is het hof verkocht aan P. F. van den Boer, koopman te Gent, en verpacht aan Isaac Risseeuw en Jacomina de Wagemaker. De vrouw gestorven 3 Jan. 1833, de man hertrouwd in 1835 met Cornelia Johanna Lansen. In 1867 is Risseeuw vertrokken en opgevolgd door Hendricus Victor de Milliano en Maria Pieters [Maria Theresia Lodevica Peeters]. In 1870 is de schuur afgebrand, en in 1874 zijn hier in plaats van de Milliano gekomen Jan Francies Plasschaert en Nathalie van Hecke. In 1892 is er een nieuw woonhuis gebouwd, en in 1908 gebleven de zoon Jan Plasschaert. In 1913 heeft de familie Breijdel te Brugge de hofstede verkocht aan Jan Scheele, een Axelaar, wiens kinderen hier zijn komen wonen, en die haar in 1917, veel verminderd van landen, weder heeft verkocht aan Abraham Leenhouts en Sara Jacoba Dhont, die in hetzelfde jaar van uit den Oranjepolder onder IJzendijke herwaarts zijn verhuisd.

OUDELANDSCHE POLDER, 8ste BEGIN

 

DEN MOOIJAARTSPOLDER.

Op deze hofstede, staande binnen het dorp Retranchement, woonde in 1812 Jannes Goossen. Deze trouwde 9 December 1812 met Sara Janssen, weduwe van Abraham Misilje. In 1828 gekomen Pieter Goossen en Adriana de Meijer. In 1867 is dit gedoe verkocht aan Abraham Jacobus Risseeuw, die er vervolgens heeft gewoond en op 7 Januari 1874 trouwde met Cathalijntje Maria Goossen. De man gestorven 23 Juni 1879, de weduwe hertrouwd 24 Juni 1880 met Pieter Jacobus Vercouteren, geboortig van Ter Neuzen en weduwnaar van Leijntje Pladet. Vercouteren overleden 18 Mei 1891, de weduwe andermaal hertrouwd op 4 Augustus 1898 met Johannes du Bois. De vrouw gestorven 16 Maart 1914 en alhier gebleven haar zoon Jacobus Pieter Vercouteren en Catharina Suzanna de Ridder. In 1927 is hier een nieuw woonhuis gebouwd.

OUDELANDSCHE POLDER, 8ste BEGIN

 

DEN MOOIJAARTSPOLDER.

In 1780 zijn op deze hofstede, insgelijks staande binnen het dorp Retranchement, in plaats van Philip Mattheeusen gekomen Pieter van der Ginst en Magdalena Porreij. De vrouw overleden 1 October 1811, de man hertrouwd in 1814 met Elizabeth Janssen weduwe van Abraham Wage. De man gestorven 10 April 1821 en in 1822 gekomen Jacobus de Lijser en Jacomina Aarnoutse, de vrouw overleden 18 Mei 1864. In 1867 zijn alhier gekomen Jacobus Masclee en Maria de Lijser. De vrouw overleden 22 Januari 1892. In 1893 is de hofstede in perceelen verkocht, de timmer met een deel van de landen aan Daniel Lijbaart en Pieternella Goossen. In 1919 heeft Lijbaart de schuur verkocht aan Jannes Jacob de Bruijne met afstand van de bij hem in pacht zijnde landen en nog ongeveer vijf gemeten zelf in gebruik gehouden.

OUDELANDSCHE POLDER, 7de BEGIN

 

DEN INZETENPOLDER.

Op 28 Mei 1754 droegen Jacob Sohier, weduwnaar van Jacoba Masclee, die tevoren gehuwd was geweest met Salomon Obijn, en de nagelaten kinderen van Salomon Obijn en Jacoba Masclee den timmer van deze hofstede, staande op pachtland, voor ƒ 990.30 over aan Salomon Masclee, die gehuwd is geweest met Cathalijntje Verdouw. De vrouw overleden 24 Februari 1776, de man 8 April 1782. De erven zijn in het bezit gebleven tot 1787, toen zij de hofstede overgelaten hebben aan hun broeder Clement Masclee, die omstreeks 1798 trouwde met Maria Goedgeluk. Clement Masclee overleed 29 September 1840. Daarna gebleven zijn zoon Jacobus Masclee en Abigail Lijbaart. In 1870 gebleven hun zoon Jannes Masclee en Suzanna Jozina Risseeuw, die alhier in 1897 een nieuw woonhuis hebben gebouwd en in 1911 zijn opgevolgd door hun zoon Adriaan Abraham Masclee en Suzanna Risseeuw.

OUDELANDSCHE POLDER, lste BEGIN

 

DEN CARLINSPOLDER.

Op het arbeidershofsteedje van Jacob Goedgeluk hebben later gewoond Jan Koomanen Cathalijntje Olivier. Na het overlijden van Kooman is Cathalijntje Olivier op 8 Mei1822 hertrouwd met Matthijs van der Velden. Mettertijd is het gedoe van zaailanden vergroot. De vrouw overleden 1 Maart 1853, van der Velden 13 Januari 1876. Daarna zijn hier gebleven zijn dochter Johanna van der Velden en Abraham Adriaansen. In 1882 is het hof verkocht aan Izaak Risseeuw en Neeltje Basting, die er in hetzelfde jaar een nieuwwoonhuis hebben gebouwd. In 1891 is de schuur omvergewaaid en vervangen door een nieuwe. In 1908 is Risseeuw vertrokken en opgevolgd door Jan Dieleman en Jannetje den Doelder, afkomstig uit het land van Axel. De vrouw overleden 22 Maart 1814, en gebleven haar dochter Christina Clara Dieleman en Levinus de Putter.

OUDELANDSCHE POLDER, 6de BEGIN

 

DEN HOFSTEDEPOLDER.

In 1730 woonden hier Isaac Verbrugge en Elisabeth Potteldoorn. De vrouw overleden 9 Augustus 1730, de man 7 Januari 1732. Op 20 Juni 1732 droegen hun nagelaten weezen den timmer, waarvan het huis blijkens de jaarankers van 1696 dagteekent, voorƒ 1164 over aan Nicolaas du Bois, die getrouwd is geweest met Janneke Cassel. Devrouw overleden in Januari 1750. Op 4 Februari 1752 droeg du Bois den toenmaals nog door hem bewoonden timmer voor f 882 over aan Andries Manhave, die gehuwd is geweest met Magdalena de Smit. Manhave overleed 18 Mei 1774, en in zijn plaats kwam in hetzelfde jaar Joost du Bois. Diens vrouw Adriana van Hecke overleed 22 Augustus 1778, de man hertrouwde omstreeks Juli 1779 met Sara van Houwe. In 1799 gekomen Jacob de Maker en Janna Verdouw, in 1806 Pieter van den Broeke en Madeleine Cailleux eerder weduwe van Pieter de Maker. In 1841 gebleven haar zoon Pieter de Maker en in 1848 gekomen haar kleinzoon Izaak Risseeuw en Sara Luteijn. In 1891 is de hofstede in perceelen verkocht, de timmer met ruim 16 gemeten land aan Jannes Risseeuw, zoon van Izaak Risseeuw voornoemd, en Maria Christina Risseeuw. In 1919 is zij verpacht aan Abraham Risseeuw, molenaar te Ter Hofstede, en Suzanna Magdalena Risseeuw, wier kinderen haar thans bekasteleinen.

VIERHONDERD BEOOSTEN TERHOFSTEDE, 6de BEGIN.

 

DEN PUTIERPOLDER.

 

De timmer van deze hofstede, oudtijds genaamd de Blauwe hoeve, waarvan het huis blijkens de jaarankers van 1649 dagteekent, werd op 2 Februari 1702 door den toenmaligen bewoner Jan van de Voorde voor ƒ 1700 overgedragen aan Abraham Cleenwerck, die getrouwd is geweest met Sara Mortreux. Man en vrouw beiden op deze hofstede overleden in 1713. Hunnen weezen droegen den timmer op 17 Februari 1714 voor ƒ 5013,271/2 over aanJacob Sohier, die hier vervolgens heeft gewoond. Wie er na Sohier hebben geboerd, is niet bekend, omstreeks 1743 waarschijnlijk Marinus de Zoute en Maria van Ankum, wier schuldeischers de hofstede in ‘t zelfde jaar voor schuld hebben verkocht. De eigenaars droegen op 3 December 1745 den timmer voor ƒ 2640 over aan de toenmalige bewoners Jannes Erasmus en Pieternella Cappon. Jannes Erasmus overleed 20 Juli 1776. In 1784 gebleven de zoon Jannes Erasmus en Maria van Cruijningen, die in 1797 zijn vertrokkenen opgevolgd door Jacob de Ridder en Janneke Lako. In 1814 in hun plaats gekomen Jacobus Risseeuw Joziaszoon en Catharina de Bruijne, op wie in 1845 gevolgd zijn hun zoon Adriaan Risseeuw en Suzanna de Hullu. De man overleden 4 Maart 1864. In 1869 gebleven de zoon Jacobus Abraham Risseeuw en Adriana de Bruijne. De vrouw overleden 5 Januari 1872, de man hertrouwd 19 December 1872 met Francina Tavenier. De man gestorven 1 Februari 1895. In hetzelfde jaar is de hofstede met 95 gemeten land verkocht aan Abraham Luteijn Basting en Maria Christina de Hullu te Groede en metterwoon betrokken door hunne dochter Neeltje Basting en Francois Jacobus Poissonnier. Dezen zijn in 1911 vertrokken en hebben het hofverpacht aan Jacobus Matthe?s Dees en Maria Dieleman, beiden afkomstig uit het land van Axel, die in 1927 zijn vertrokken en in wier plaats toen zijn gekomen Fran?ois Jacobus Poissonnier en Maria de Hulster.

OUDELANDSCHE POLDER, 7de BEGIN

 

DEN INZETENPOLDER.

 

Op het hofsteedje, te voren bewoond door Cappon en maar enkele gemeten groot, zijn omstreeks 1847 gekomen Johannes Verhage en Adriana Martha Butin, die het in den loopder jaren door aankoop en bijpachten van landerijen hebben vergroot. Johannes Verhage overleed 9 September 1901, de weduwe 11 December 1901. Het boerenbedrijf is daarna voortgezet door hun kinderen Johanna Magdalena en Johannes Verhage junior. Johannes Verhage overleed 21 Februari 1919.

BEWESTEN TERHOFSTEDE-POLDER.

 

Op dit hofsteedje, dat in vervolg van tijd is vergroot, hebben tot 1884 gewoond Abraham de Ridder en Pieternella Cappon, die hier zijn opgevolgd door hun zoon Pieter de Ridder en Janneke de Ridder. In 1920 gebleven hun zoon Pieter Jacobus de Ridder,die in 1924 gehuwd is met Elizabeth de Voldere.

BEWESTEN TERHOFSTEDE-POLDER.

In 1906 is voor Abraham Izaak Leenhouts en Maria Alida van Dijke een hofstede gebouwd, welke zij wel in gebruik hebben genomen doch niet metterwoon betrokken.

KASTEELPOLDER.

Omstreeks 1699 woonde hier Aarnout van Ankum, die gehuwd is geweest met Elizabeth van de Kote. Later heeft hier gewoond hun zoon Andries van Ankum. Op 8 Juli 1730 droegen de voogden van Elizabeth van Ankum, dochter van Andries van Ankum voornoemd, den timmer met nog een arbeidershuisje en de baning van 85 ? 86 gemeten pachtland voor ƒ3390 over aan Passchier de Hulster, die gehuwd was geweest niet Jacoba van Ankum, en er vervolgens heeft geboerd. De Hulster hertrouwde 7 October 1731 met Catharina la Roy, hij overleed in 1741, de weduwe hertrouwde in 1744 met Hendrik Hendriksen. Zij overleed 2 Maart 1778 en in 1779 zijn alhier gekomen Levinus Basting, te voren smid te Aardenburg, en Maria Kousemaker, die in 1813 vertrokken en opgevolgd werden door Jacobus Vermast, gehuwd met Anna Carolina Calon. Vermast overleed 1 September 1824. In 1827 is de hofstede verkocht aan den heer Gheldolf, die ze heeft laten bekasteleinen. In 1834 zijn als pachters gekomen Pieter Cammaert en Maria Theresia Begheijn. In 1865 is de hofstede verkocht aan Izaak Risseeuw Johanneszoon te Cadzand en alhier gekomen diens zoon Izaak Risseeuw en Sara de Bruijne. In 1868 is er een nieuw woonhuis gebouwd. In 1902, na het vertrek van het echtpaar Risseeuw - de Bruijne, zijn hier gebleven hun zoon Adriaan Risseeuw en Catharina Nortier.

 

 

 

OLIESLAGERSPOLDER.

In 1820 heeft een Belgische grondeigenaar een hofstede gebouwd, waarop als pachters zijn gekomen Adriaan van der Meulen en Adriana Kusse. In 1835 zijn pachters geworden Pieter Beijaert en Barbara Theresia Dobbelaer. In 1839 werden de gebouwen door de eigenaars Charles Manilius en Johannes van den Berghen te Gent voor ƒ 3771 verkocht aan de ingelanden van den Generalen Prins Willempolder, die de hofstede met 61 hectaren 37 aren 3 centiaren land, mede aan genoemden polder toebehoorende, in het volgend jaar voor ƒ 2080 ‘s jaars hebben verpacht aan voormelden Beijaert. In Februari 1860 hebbende ingelanden van den Prins Willempolder haar met ruim 41 gemeten verkocht aan Willem Jacobus Almekinders te Schoondijke, de landerijen voor ƒ 21009, den timmer voor ƒ 3000 en de plantage voor ƒ 1830 of in totaal voor ƒ 25839.

In 1862 zijn alhier gekomen diens zoon Jacobus Willem Almekinders en NeeltjeBrakman. In Februari 1883 is de schuur afgebrand. In 1894 in de plaats van zijn ouders gekomen Cornelis Johannes Almekinders en Magdalena Luteijn, die in 1928 zijn opgevolgd door hun zoon Cornelis Johannes Almekinders en Suzanna Maria Masclee.

Omstreeks 1837 hebben Adriaan van der Meulen en Adriana Kusse een hofsteedje gebouwd, waarheen zij van de naast gelegen hofstede zijn verhuisd. In 1855 is hier een nieuw woonhuis gezet. In 1861 zijn hier van Biervliet gekomen Abraham Leenhouts en Jozina Verplanke. In 1889 is het hof verkocht aan Abraham Willemsen en Elizabeth Willemsen, diein 1909 zijn opgevolgd door hun zoon Abraham Willemsem en Janna Elizabeth Nortier. In 1924 is hier wederom een nieuw woonhuis gebouwd.

OLIESLAGERSPOLDER.

In 1869 heeft Suzanna de Hullu, weduwe van Adriaan Risseeuw, een hofstede gebouwd, die ze vervolgens heeft bewoond tot haar overlijden op 9 December 1893. In 1895 is alhier gekomen haar schoondochter Francina Tavenier, weduwe van Jacobus Abraham Risseeuw. Vervolgens is hier nog een partij land bijgevoegd. In 1900 gebleven de dochter Cornelia Maria Risseeuw en Izaak Jacobus Poissonnier.

OLIESLAGERSPOLDER.

In 1871 is hier een hofstede gebouwd, die metterwoon is betrokken door Carolus Ludovicus Buijck en Maria Louise Cammaert, die in 1910 opgevolgd zijn door hun zoon Prudent Alphonse Buijck en Alida van Haele, in wier plaats in 1922 zijn gekomen Jacobus Willem Almekinders en Anna Risseeuw.

OLIESLAGERSPOLDER.

In 1828 hebben Jacob du Foss? en Elizabeth Willemsen hier een hofstede gebouwd. In 1850 is zij verkocht aan Abraham Risseeuw en Johanna van Cruijningen, door wie in hetzelfde jaar een nieuw woonhuis en in 1862 een nieuwe schuur zijn gebouwd. De man overleden 16 December 1878, de vrouw 19 Februari 1889. De timmer met enige gemeten land is in 1890 verkocht aan Isaac van Cruijningen en in het volgend jaar zijn alhier gekomen Jannes Abraham de Hullu en diens dochter Johanna Sara van Cruijningen, die in 1919 opgevolgd zijn door hun zoon Janiies de Hullu en Catharina Suzanna Risseeuw.

OLIESLAGERSPOLDER.

In 1832 hebben Jacobus Bernardus de Graaf en Catharina Quataert hier eenhofstede gebouwd. Dezen zijn in 1842 vertrokken naar Oostburg en opgevolgd door Abraham van Lare en Maria Christina Simons, eerder weduwe van Pieter Phihip le Clercq. De man overleden 30 Mei 1851, de weduwe 3 Maart 1855. In het volgend jaar gebleven haar zoon Abraham le Clercq en Sara Risseeuw. In 1895 is de schuur afgebrand door het onweder. In 1905 gebleven de zoon Johannes le Clercq en Sara Risseeuw.